Beethoven




Ludwig van Beethoven (1770-1827) [916 KB]

Grootvader Louis van Beethoven kwam waarschijnlijk uit de omgeving van het Belgische Haacht en verhuisde in 1733 naar Bonn, waar hij naast zijn job als hofmusicus en kapelmeester bij de keurvorst-aartsbisschop tevens een wijnhandel voerde. Vader Johann was tenorzanger bij dezelfde aartsbisschop en als zakenman in de wijnzaak een slechte opvolger. Bovendien dronk hij wat meer dan goed voor hem was en trouwde te arm en te jong. Zijn moeder noemde Ludwig van Beethoven (geboren in Bonn op 16 december 1770) ooit zijn "beste vriendin".

Beethovens jeugd werd grondig bedorven door de vruchteloze en strenge pogingen van zijn vader om een wonderkind te kweken. De gebrekkige muzieklessen worden gelukkig door die van betere leraren aangevuld, zodat hij als zevenjarige zijn eerste optreden als pianist kan vieren, op elfjarige leeftijd Bachs Wohltemperiertes Klavier van buiten kent, en een jaar later als hoforganist aan de slag kan. Zijn gebrekkige algemene ontwikkeling wordt bij adellijke families welwillend bijgeschaafd.

In 1787 gaat Beethoven in Wenen in de leer bij Mozart, die hem een grootse toekomst voorspelt. Hij moet ijlings naar Bonn terugkeren wegens ziekte en het overlijden van zijn moeder. In 1792 vertrekt hij weer pas naar Wenen bij de dood van zijn vader.

In Wenen willen het contact met en de lessen bij Haydn niet vlotten, zodat hij in 't geheim lessen volgt bij Schenk, Albrechtsberger en Salieri. Een tijdlang leeft hij uit de hand en in de woningen van de lokale aristocratie, maar kan zich moeilijk aan de strikte dagindeling houden. Met de meeste collega's kan hij maar moeilijk opschieten.

In 1794 komt de keurvorst uit Bonn hem persoonlijk achterstallig salaris brengen. Vanaf die tijd blijft hij in dienst zonder loon tot hij opgeroepen zou worden door de keurvorst. Omdat die oproep uitbleef, woonde hij heel zijn verder leven in Wenen.

Van zijn belangrijkste weldoener, vorst Lichnowsky, krijgt hij een jaargeld toegewezen, waardoor hij zich in hoofdzaak aan het componeren kan wijden. Beethoven was de eerste componist die ook zelf zijn zakelijke belangen goed wist te behartigen. Wetende dat Mozart zo arm was als een kerkrat, liet hij zich door de uitgevers en impresario’s goed betalen.

Beethoven kende een vrij bewogen liefdesleven, uitsluitend met dames uit de hogere kringen, die hem vaak ook de inspiratie leverden voor heel wat composities. In 1800 heeft hij trouwplannen met zijn leerlinge Giuletta Guicciardi, wat de wereld de "Mondscheinsonate" oplevert. In 1809 zijn Therese Malfatti en Bettina Brentano aan de beurt, met als gevolg een ontmoeting met Goethe en de "Egmont"-muziek. Het gaat Beethoven materieel zo goed voor de wind dat hij zijn beide jongere broers naar Wenen laat overkomen, en ook de opvoeding van zijn neef Karl op zich neemt. Na enkele grote concertreizen naar Praag, Berlijn en Leipzig volgt een zware klap: in 1796 veroorzaakt een val een scheur in de gehoorzenuw, en al snel treden de eerste symptomen van doofheid op.

Tot in 1808 speelt hij bij concerten nog zelf piano, maar in 1819 ten slotte is hij volslagen doof en kan zich alleen nog duidelijk maken met conversatieboekjes.

Zijn voogdijschap over neef Karl wordt steeds maar problematischer. Een (mislukte) zelfmoordpoging van Karl en een zware ziekte van Beethoven maken het er niet beter op.

Hij maakt nog kennis met het volledig oeuvre van Haydn en Schubert. Tot een ongeneeslijke leverziekte en een zware longontsteking zorgen voor een tien dagen durende doodsstrijd. Middenin een hevig onweer sterft hij op 26 mei 1827. Op de grandioze begrafenis wordt Mozart’s Requiem opgevoerd.

Beethoven wordt algemeen beschouwd als de belangrijkste schakel tussen classicisme en romantiek. Dit vinden we terug in de stijl-ontwikkeling van zijn belangrijkste werken: de eerste kwartetten, pianosonates en symfonieën zijn nog bijna volledig in de traditie van het Weens classicisme geschreven en slechts hier en daar zijn plotse accenten de aankondigers van de latere typische Beethovenstijl. De laatste werken daarentegen, schieten in hun ruwe expressiviteit de vroegromantiek ver voorbij.