De Renaissance

Instrumentale muziek
De ontwikkeling van de meerstemmigheid, zoals die plaatsvond in de Middeleeuwen, ging steeds verder. De meerstemmigheid werd echter zo ingewikkeld, dat de muziek voor het gewone volk niet meer te begrijpen was. De muziek vervreemdde van het volk. Halverwege de 16e eeuw was het einde van de polyfonie dan ook in zicht.
In de Italiaanse steden vond een vernieuwing van de muziek voor het eerst plaats. De nieuwe stroming in de muziek richtte zich tegen de meerstemmigheid. In de polyfonie was de tekst van liederen allang niet meer te verstaan geweest. In een eenstemmige melodie met een begeleiding was de tekst wel verstaanbaar; dat werd dan ook het ideaal. Monodie dus, in plaats van polyfonie.

Eigenlijk was de nieuwe stroming niks meer of minder dan teruggrijpen op de muzikale ideeën van de oude Griekse en Romeinse beschavingen. Een soort opnieuw geboren worden van deze ideeën, dus. De nieuwe stroming kreeg dan ook deze naam: Renaissance (wedergeboorte). De Renaissance verspreidde zich razendsnel vanuit Italië over heel Europa.
In het begin werden de nieuwe melodieën alleen voor zangstem geschreven, later werden ze ook instrumentaal begeleid door bijvoorbeeld de luit. Men begon zelfs de zangstemmen door instrumenten te vervangen. Zo begon de instrumentale muziek zich te ontwikkelen.
Naar voorbeeld van de menselijke stemmen (sopraan-alt-tenor-bas) werden instrumenten in verschillende grootten gemaakt en ontstonden instrumenten-families. Ook het kerkorgel werd verder ontwikkeld en uitgebreid, en ontstond er een uitgebreide orgelliteratuur.

Jan Pieterszoon Sweelinck was een zeer vooraanstaand componist in die tijd. Hij was organist van de Oude Kerk in Amsterdam. Zijn orgelspel was beroemd tot ver in het buitenland en leerlingen uit heel Europa kwamen naar hem toe. Zo kreeg hij de naam Organistenmaker. Hij componeerde voor orgel en klavier en ook vocale muziek. Variaties, fantasieën [250 KB] , toccata's en voorspelen behoren tot zijn oevre. Zijn psalmen zijn zelfs zonder meer beroemd geworden.  

De opera
In Florence kwam regelmatig een groepje zeer geleerde heren bijeen om de kunsten te bestuderen. Ze noemden zich "Camerata". Geheel in de geest van de Renaissance (eenstemmige melodie met begeleiding) wilden ze het oude Griekse treurspel terugbrengen in de kunst. Door een aantal liederen één thema te geven, ontstond eigenlijk een soort van gezongen verhaal. Dit kunnen we als het ontstaan van de opera beschouwen.
Die allereerste opera's hadden meestal een onderwerp uit de Griekse mythologie als verhaallijn.

Claudio Monteverdi was de eerste belangrijke operacomponist. Zijn "Orfeo [1.122 KB] ", het verhaal van de Griekse Orpheus die zijn leven lang op zee zwierf, wordt nog regelmatig opgevoerd. 

Opera's werden enorm populair. In 1637 werd in Venetië het eerste Europese theater geopend. Voor het eerst kwamen mensen uit verschillende klassen en met verschillende achtergronden hun huizen uit om gezamenlijk naar muziek te gaan luisteren. Voor het eerst in de muziekgeschiedenis was er iets rondom muziek wat wij nu heel normaal vinden: publiek!
Tot die tijd was muziek nauwelijks buiten de privésfeer gekomen. Nu was muziek er voor iedereen.

Binnen de Venetiaanse School ontstonden twee soorten opera's: de Opera Buffa (komische opera) en de Opera Seria (ernstige opera).
Alle teksten werden gezongen. Omdat iedereen ervan uitging dat alle Italianen een mooie stem hadden, sprak men ook wel van het "Bel Canto". Bel Canto betekent letterlijk "mooie stem".
Aan het eind van de 17e eeuw waren in alle grote Italiaanse steden avond aan avond operavoorstellingen, soms wel op meerdere plaatsen tegelijk in dezelfde stad.

Belangrijke Renaissance-componisten waren:
- Giovanni Gabrieli [945 KB]
- Claudio Monteverdi [1.122 KB]
- Giovanni Palestrina [815 KB]
- Orlando di Lasso [820 KB]
- Jan Pieterszoon Sweelinck [250 KB]
Uiteraard waren er veel meer componisten, ook in andere landen, die net zo goed belangrijk waren. Het zou echter te ver gaan al die componisten hier te noemen.