De fuga is een meerstemmige polyfone compositievorm. Dat wil zeggen dat de stemmen allemaal even belangrijk zijn. Er is dus niet zoiets als een melodie-met-begeleiding.

De fuga is aan strenge regels gebonden en bestaat gewoonlijk uit drie componenten: Expositie - Doorwerking - Slot.

 

De Expositie

Hier zetten de stemmen na elkaar in met hetzelfde thema, precies zoals het in canon zingen van Vader Jacob. De inzetten kunnen gescheiden zijn door tussenspelen, die ook wel divertimenti worden genoemd. Het thema (de Dux) zet éénstemmig in en wordt beantwoord door een tweede stem (de Comes)

 

De Doorwerking

In dit gedeelte speelt de componist allerlei spelletjes met het materiaal wat hij in de expositie heeft laten horen. Zo kan hij het thema achterstevoren laten horen (“kreeftengang”), twee keer zo snel (“verkleining”) of twee keer zo langzaam (“vergroting”). Ook meer inventieve spelletjes worden wel gespeeld. Bijvoorbeeld een nieuw thema, wat bij nadere bestudering het originele thema blijkt te zijn, waarvan alle intervallen omgekeerd zijn. In feite is er geen beperking aan de mogelijkheden voor de componist om zich eens flink artistiek uit te leven in dit gedeelte van de fuga.

Ook een stretto is vaak onderdeel van de fuga, vaak tegen het eind van het stuk. In een stretto laat de componist het thema weer in canonvorm verschijnen.

 

Het Slot

Het slot wordt vaak opgebouwd rondom een orgelpunt. Een orgelpunt is een zeer lange toon die dwars door de stemmen heen klinkt. Vaak ligt het orgelpunt in de basstem. Boven het orgelpunt stuwen de andere stemmen naar het slot.

 

Een fuga is dus een ingewikkelde compositievorm, waarbij de stemmen onafhankelijk van elkaar bewegen. Of dat al niet ingewikkeld genoeg is bestaan er ook nog dubbelfuga’s, tripelfuga’s en zelfs quadrupelfuga’s. Dat zijn fuga’s die gebouwd zijn op respectievelijk twee, drie en vier thema’s.